WEDSTRIJDEN

Surfclub Terschelling wint rechtzaak

wazzaah·17 jul 2008 · 6 min lezen
wazzaah · 17 jul 2008 · 6 min
Sfeerbeeld · Pexels

Groene Strand Terschelling hele jaar kitesurfen




Beroep Waddenvereninging en Vogelbescherming Nederland ongegrond verklaard


Beroep Surfclub Terschelling gegrond verklaard



In de media:
Omrop Fryslan, met geluidsfragment
Leeuwarder Krant
En de groene jongens zijn ook wakker



4.3 Uit het vorengaande volgt dat hetgeen de Waddenverenining en de Vogelbescherming Nederland in beroep hebben aangevoerd niet kan leiden tot vernietiging van het door hun omstreden besluit en dat hun beroep dan ook ongegrond wordt verklaard. Het beroep van de Surfclub Terschelling is op grond hetgeen onder 4.2 is overwogen gegrond. Vaststaat immers dat de verweerder (RWS) het kitesurfen op het Groene Strand uitsluitend beperkt heeft tot de periodevan 1 jui tot 31 augustus, omdat buiten die periode een vergunning ingevolge de NB-wet 1998 nodig is. Het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op het Groene Strand komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar van de Surfclub Terschelling moeten beslissen.

Beslissing:
De rechtbank
- verklaart het beroep van de Waddenvereniging en Vogelbescherming Nederland ongegrond
- verklaart het beroep van de Surfclub Terschelling gegrond
- vernietigt het door de Surfclub Terschelling bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op het Groene Strand.
- bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door de Surfclub Terschelling gestorte griffierecht van E 285,- vergoedt.



Samenvatting punt 4.2
RWS had geen andere belangen mee mogen wegen dan de veiligheid van de scheepvaart.

De rechtbank stelt vast dat in de AWB in artikel 3:3 het wettelijk voorschrift is opgenomen dat het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet mag gebruiken voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.



Meer info zal de komende dagen volgen






Klik voor grote versie



Smiley Dirk-Jan Smiley


Veel bla bla.... maar interresant voor degene die zich ermee bezig houden.


Beoordeling geschil:

4.2 Partijen zijn verdeeld over de vraag of de hoofdingenieur-directeur bij zijn besluit tot gedeeltelijke opheffing van het in artikel 9.05 lid 2 van het BPR neergelegde verbod natuurbelangen had moeten betrekken. In het bijzonder spitst het geschil zich toe op de vraag of natuurbelangen grond kunnen vormen om het verbod niet dan wel deels op te heffen. In artikel 3:4 van de AWB is een afweging van de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen voorgeschreven, "voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van te oefenen bevoegdheid een beperking voorvloeit". De rechtbank stelt vast dat in de AWB in artikel 3:3 het wettelijk voorschrift is opgenomen dat het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet mag gebruiken voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.
Vast staat dat de onderhavige bevoegdheid ziet op het deels kunnen opheefen van een in het BPR opgenomen verbod dat, gelet op art. 1 van het Vaststellingsbesluit BPR, is vastgesteld met het oog op het belang van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer. Dit artikel luidt immers - voor zover hiervan belang - dat een reglement wordt vastgesteld inhoudende bepalingen ter voorkoming van aanvaring of aandrijving op de openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan. Nu in art. 3 van de Scheepvaartverkeerswet verder limitatief is bepaald op grond van welke belangen regels als bedoeld in art. 4 lid 1 van Scheepvaartverkeerswet vastgesteld kunnen worden, dient het naar oordeel van de rechtbank er voor gehouden worden dat de regelgever met het BPR uitsluitend beoogd heeft het belang van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer te beschermen. Hieraan doet niet af de door de Waddenvereniging en Vogelbescherming Nederland aangevoerde omstandigheid dat ingevolge art. 3 lid 2 onder b van de Scheepvaartverkeerswet de bij het Vaststellingsbesluit BPR vastgestelde regels mede kan geschieden in het belang van het voorkomen of beperken van schade door het scheepvaartverkeer aan de landschappelijke of natuurwetenschappelijke waarden van een gebied waarin scheepvaartwegen zijn gelegen.
Immers, de vaststelling van de toepassing zijnde regel, art. 9:05 van het BPR, is niet op grond van de in art. 3 lid 2 sub b van het scheepvaartverkeerswet genoemde belangen gebeurd, zodat die belangen niet behoren tot de door die regel beschermde belangen. In samenhang met de artikelen 3:3 en 3:4 lid 1 van de AWB volgt uit het bovenstaande dat enkel belangen ddie samenvallen met de aan het verbod ten grondslag gelegde doelstelling, zijnde het verzekeren van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer, grond kunnen vormen voor (gedeeltelijke) opheffing van het verbod.
Het voorgaande betekent dat natuurbelangen niet kunnen worden betrokken bij de belangenafweging, die in het kader van de beslissing tot (gedeeltelijk) opheffing van het in het artikel 9:05 van het BPR neergelegde verbod dient plaats te vinden.
De hoofdingenieur-directeur heeft in dit verband gesteld dat het aanwijzen van vaarwegen of gedeelten daarvan als bedoeld in art. 9:05 lid 3 van het BPR een discretionaire bevoegdheid betreft, waar hij over een grote mate van beleidsvrijheid beschikt. In die omstandigheid ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat bij de afweging van belangen rekening kan worden gehouden met de omstandigheden dat andere wetgeving, in dit geval de NB-wet 1998, zich op voorhand tegen de aanwijzing verzet. Hoewel de rechtbank met de verweerder van oordeel is dat met de afstemming van de verschillende vergunningen die voor de in geding zijnde activiteit, kitsurfen, noodzakelijk zijn diverse belangen gediend zij, moet het bestuursorgaan daartoe op grond van artikel 3:4 van de AWB bevoegd zijn. De rechtbank is van oordeel dat die bevoegdheid in het onderhavige geval ontbreekt.
Van een dergelijke bevoegdheid is slecht sprake als de doelstellingen van de af te stemmen regelingen overeenkomsten vertonen dan wel in de regeling expliciet een plicht of bevoegdheid tot afstemming is opgenomen. Die situatie doet zich hier niet voor. De door de Waddenvereniging en de Vogelbescherming Nederland in dit verband aangehaalde uitsppraken van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State bieden geen grond voor een ander oordeel. In die uitspraken is overwogen dat hetbestuursorgaan voor een project geen vrijstelling als bedoeld in art. 19 lid 1 van de WRO van het bestemmingsplan kan verlenen als het op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en Faunawet aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg staat. Anders dan het BPR, vertoont de doelstelling van het WRO wel overeenkomsten met die van de Flora- en Fauna en met de NB-wet 1998. Daarbij wijst de rechtbank erop dat de WRO, anders dan het BPR, gericht is op de coordinatie van alle belangen waarvoor het gebruik van de ruimte relevant is.

VRAAG OVER DIT ARTIKEL
Praat mee op het forum51 reacties
WIND-ALERTBericht als het op jouw spot gaat waaienGratis, met je eigen drempel in knopen.Zet een wind-alert

Verder lezen

Al het nieuws